Dezelfde nacht. Twee huishoudens. Eén heeft een plan.
Zonder plan
Je zoekt een zaklamp. Die ligt “ergens”. De batterijen zijn leeg. Je kinderen vragen wat er is. Je weet het niet.
Met plan
Je pakt de doos die klaarstaat. Noodradio aan. Je zegt: “Dit hebben we besproken. Dit is wat we doen.”
Zonder plan
De koelkast warmt op. De pin doet het niet en je hebt twaalf euro contant. Je telefoon staat op 15%.
Met plan
Eerst de koelkast leeg eten, dan de vriezer, dan de voorraad. Contant geld in de envelop. Powerbank aan de radio.
Zonder plan
Het is koud in huis. Iemand stelt voor de barbecue binnen te zetten. Je weet niet of dat gevaarlijk is. Het is gevaarlijk.
Met plan
Eén kamer, dekens, warm eten van de brander buiten. Je weet wat koolmonoxide doet en waarom je dat nooit binnen doet.
Zonder plan
De medicijnen van je partner zijn bijna op. Geen netwerk. Bij wie moet je zijn? Waar? Je hoort van de buren iets over de sporthal.
Met plan
Medicijnvoorraad voor vijf dagen. Je weet wie in je straat wat heeft, en met wie je het samen doet. Op de A4 staat waar je verzamelt.
Zonder plan
Hulp komt. Maar niet vandaag. Je hebt drie dagen achter de feiten aan gelopen. Je gezin heeft het gezien.
Met plan
Je gezin herinnert het zich later als “die rare drie dagen”, niet als een crisis. Omdat jij wist wat je deed, en met wie.